logo jongleren
Artikel

In gesprek met Arlène da Cruz


Arlène da Cruz (Rotterdam, 1981) is eigenaar van Montessori-kinderdagverblijf Casa dei Bambini in Schiedam-West. Behalve als ondernemer, is zij actief als pedagogisch medewerker in haar eigen bedrijf en als Montessori-opleider bij RIJKT. Arlène maakt deel uit van het IKC-kernteam Montessori Schiedam.

door Herman Lamferkamp, directeur Montessori Schiedam


Arlène: “Op de eerste dag dat ik mijn oudste naar de kinderopvang bracht, dacht ik: Ik weet niet of ik dit wel goed, of wel leuk vind. Ik zag heel veel speelgoed, maar ik zag geen structuur. De pedagogisch medewerker kon mij niet echt geruststellen.

Zelf had ik een commerciële achtergrond en werkte ik bij een telecombedrijf. Toen het bedrijf in de problemen raakte en ik mijn baan verloor, ben ik een andere opleiding gaan volgen om te kijken of ik het leuk vond om met kinderen te gaan werken. Een van de opdrachten voor de opleiding was een verslag schrijven over een pedagoog. Ik heb toen voor Maria Montessori gekozen. Haar visie vind ik een heel mooie: goed en duidelijk.

Omdat ik op dat moment geen baan had, wilde ik op Montessori-kinderdagverblijven gaan kijken. Daar waren er niet zoveel van en het was best wel moeilijk om binnen te komen; zij houden liever alles op afstand. Ik heb heel hard mijn best moeten doen en uiteindelijk mocht ik een tijdje in Amsterdam meedraaien en daarna een tijdje in Eindhoven. Toen wist ik: dit is het, dit ga ik doen! Dus heb ik gewerkt, gespaard en een businessplan geschreven. Ook ben ik op zoek gegaan naar een pand.”

 

“Ik ben niet van grip; kaders wel, maar grip niet. Je moet vertrouwen hebben en in jezelf geloven. En in de anderen…”

 

Dit moest er komen

“In 2011 zijn we in wijkcentrum De Erker gestart met een heel klein groepje van 4 kinderen. Het was toen best wel spannend, want we zaten middenin de crisis. Maar ik dacht: dit gaat gewoon werken. Ik geloof erin; dit moet er gewoon zijn voor kinderen onder de 4 jaar. Nu zijn we 8 jaar verder en loopt het.

Als ik terugkijk op de afgelopen jaren, zie ik een mooi leerproces. Wij werken met dynamische groepen. Soms zijn er meer baby’s, dus niet-lopers, dan lopers en soms is dat andersom. Dat vraagt steeds om aanpassingen aan de omgeving. Wij hebben ook de tuin gedaan; die is nu in harmonie met de binnenruimte. Wij hebben een goede basis opgebouwd aan materialen en meer kennis vergaard. Ik ben tevreden. Als kinderen bij ons binnenkomen, zie ik dat zij voelen dat zij hier hun eigen keuzes mogen en kunnen maken.”

 

Kleine ontdekkers

“Kinderen zijn constant aan het onderzoeken. Het belangrijkste is dat wij dat in stand houden. Wij stimuleren hen om de wetenschapper te blijven die zij van nature zijn, om te blijven ontdekken en creatief te zijn – creatief in de zin van: kritisch denken en problemen oplossen. Ik denk dat kinderen worden geboren met de intrinsieke drang om dingen te ontdekken en voelen. Wij zijn voor een kind hooguit hulpmiddelen, begeleiders; wij zijn geen bepalers. Er is geen vaste dagindeling voor kinderen – en ook niet voor medewerkers – zo werkt dat niet. Ik moet er niet aan denken ook. De omgeving geeft genoeg houvast. Wat je daarin gaat doen bepaal je zelf. Achter zo’n voorbereide omgeving zitten duidelijke bedoelingen. Een kind dat die omgeving binnenkomt, heeft zijn eigen wil en het heeft zijn eigen doel dan al bepaald.”

 

Wij stimuleren kinderen om de wetenschapper te blijven die zij van nature zijn

 

“Door kaders te hebben, bereikt het kind zijn doelen. Door te observeren zien wij welk doel het kind heeft. Een kind kan soms begeleiding nodig hebben, omdat het het einddoel nog niet echt helder heeft. De rol van de begeleider is dan om het kind daarin te stimuleren. Voor onze pedagogisch medewerkers is het steeds de vraag of de activiteit die een kind onderneemt voor hem of haar een leermoment is of niet. Als dat niet zo is, neem je de vrijheid van het kind een beetje terug en ga je begeleiden.”

 

Vertrouwen, geduld en ruimte

“Wij hebben in de opvang natuurlijk geen vakken als rekenen en taal, maar een basisschool verwacht wel dat sommige vaardigheden op het gebied van taal en sociaal gedrag zijn ontwikkeld. Dat zijn dingen waar wij veel tijd aan besteden. Hiervoor gebruiken wij Montessori-materialen waarin reken- en taaldoelen besloten liggen. Met al die materialen werken wij aan allerlei doelen, ook zintuiglijke en sociale. Als een kind het heel moeilijk vindt om zijn eigen jas aan of uit te doen, of als het zijn of haar impulsen nog niet goed kan onderdrukken, bieden wij werkjes of activiteiten aan om het kind in de ontwikkeling van die vaardigheden te begeleiden. Een activiteit als ‘walking on the line’ bijvoorbeeld, helpt het kind om rustig te leren worden. Wat wij daarnaast vooral doen, is open vragen stellen aan de kinderen.

Soms merk je dat kinderen van drie jaar nog heel erg speels zijn. Dan kun je je er als pedagogisch medewerker wel druk over maken of het wel of niet gaat lukken op de basisschool. Soms is dat een kwestie van vertrouwen, geduld hebben en ruimte bieden. Dat geloof in ruimte bieden heb ik zelf altijd gehad. Ik ben zelf opgevoed in de Kaapverdische cultuur. Dat ging altijd om zelf ontdekken, maar veiligheid hoorde daar zeker ook bij. In die zin ben ik opgegroeid in een voorbereide omgeving. Mijn moeder heeft mij altijd de ruimte gegeven om zelf te ontdekken via al mijn zintuigen, heel Montessoriaans eigenlijk. Daar groeide ik niet alleen van, maar het was ook fijn. Door de tijd die we hebben, kunnen we kinderen dat ook bieden. Bij ons zijn de kinderen er meestal van 7 uur ’s ochtends tot half 7 ’s avonds, maar in scholen is dat anders. Wij hebben als hele dagopvang meer contacttijd dan scholen. Ook in een peuterspeelzaalsetting is dat alweer lastig, daar is die tijd te kort.”

 

Ouders kiezen zelf

“We hebben continu te maken met verwachtingen van ouders. Wij noemen ontwikkelactiviteiten ‘werken’ en niet ‘spelen’. Volwassenen vinden dat vaak vreemd. Ik denk dat dat komt doordat volwassenen werken associëren met iets moeten: van 9 tot 5 werken. In hun optiek werken kinderen niet, maar spelen zij. Sommige ouders die een opvang zoeken voor hun kind en bij mij op bezoek komen, vinden het ook te rustig. Zij zien dan dat er geen voor hen bekend speelgoed is en twijfelen of kinderen wel tot spel komen. Zulke ouders doen het dan toch maar niet. Ik denk dat dat komt doordat ons plaatje niet overeenkomt met het plaatje dat in de maatschappij bekend is. Het voldoet niet aan hun verwachtingen. Ik probeer dan zo goed mogelijk uit te leggen waarom wij doen wat wij doen, maar dan heb ik mijn taak ook gedaan. Ik kan niet aan ieders verwachtingen voldoen, dus het is prima zo. Ook ouders mogen zelf hun keuzes maken.

In de toekomst zal de communicatie met ouders wel veranderen; die verandert nu ook al. Ouders zijn steeds beter op de hoogte van verschillen in opvoedstijlen. Wij krijgen dan ook een andere rol en gaan steeds meer met ouders in dialoog. De ouders van de kinderen die bij ons zijn, zijn heel betrokken en ook tevreden. Dat merk ik aan de mond-tot-mondreclame.”

Opvoeden doe je samen

“Voor mij vergde de rol van leidinggevende ook een leerproces. Ik vind het belangrijk dat ik mijn mensen mee laat denken en de ruimte geef om tot inzichten te komen. Ik voel mij absoluut geen baas: wij werken in een open cultuur, heel betrokken. De medewerkers zijn ook loyaal. Daar sta ik niet altijd zo bij stil, maar het is geen toeval. Je kunt het niet in je eentje doen. Dat geldt voor kinderen opvoeden en ook voor een bedrijf runnen. Je hebt altijd andere mensen nodig; iedereen is altijd verbonden met elkaar. Ik doe zo hard mogelijk mijn best om verbindingen te maken en die ook in stand te houden, zodat we samen tot iets moois kunnen komen.

Als je kijkt naar de manier van werken tussen bijvoorbeeld een telecombedrijf en onze organisatie, dan zie je dat leiderschap bij ons vooral gericht is op mensen zelf tot inzichten laten komen. Daar zit ook hun eigen intrinsieke drang. Dus geef ik hen de ruimte. Als je iets gaat opleggen dan verzandt het al gauw, omdat het niet uit de medewerkers zelf komt. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor hun eigen ontwikkeling.

Vragen stellen als: ‘Waarom doe je dingen zoals je ze doet? Wat is jouw doel, jouw reden, daarachter?’ zet aan tot reflectie, waardoor iemand zich meer bewust kan worden van zichzelf. Diegene kan daarna beter kiezen. Zo van: ‘Dat heb ik nu zo gedaan, de volgende keer doe ik het anders’. Dan is er sprake van een leerproces. Dat is er niet als ik hen iets opleg. Daar houd ik zelf ook niet van.”

 

Verwachtingen uitspreken

“Ons beleidsplan hebben wij dus ook samen gemaakt, omdat iedereen het moet willen uitvoeren. Binnen het team en individueel werken en ontwikkelen wij door ons in iets te verdiepen. De een weet meer over een bepaald ontwikkelingsgebied dan de ander; zo vul je elkaar aan. Als het even wat minder gaat of ik andere verwachtingen heb, dan praat ik daar met medewerkers over. Ik neem hun taken niet over. Ik deel mijn verwachtingen en de medewerker kan aangeven waarom bepaalde keuzes worden of zijn gemaakt. Zo blijven dingen helder. Het gaat erom dat je in staat moet zijn om elkaar kritisch te laten nadenken over hoe kinderen leren binnen onze Montessoriaanse visie. Het mooie van werken vanuit die visie is dat het in de kern ook toepasbaar is op de medewerkers.

Tegenwoordig verandert er zo snel zoveel om ons heen. Kinderen hebben nu een heel andere vrijetijdsbesteding dan 10 jaar geleden, door de iPad, het mobieltje, enzovoorts. Ik denk dat dat een belangrijk aspect is om rekening mee te houden, omdat de ontwikkelingen in de maatschappij ook van ons iets vragen. Dat maakt het werk ook interessant.”

 

Mijn inspiratie

“Zelf ben ik geïnspireerd door Rutger Bregman. Dat is een jonge filosoof en opiniemaker die is opgeleid als geschiedkundige. Zijn gedachtegoed is niet op kinderen gericht. Hij vertelt in zijn werk hoe hij kijkt naar veranderingen in onze maatschappij. Zo stelt hij de vraag of er straks nog banen zijn. Ik vraag mij dan vervolgens af wat dat voor ons betekent: hoe kunnen wij kinderen in de basis voorbereiden op zo’n samenleving?

Op dit moment zijn wij hard bezig ons te ontwikkelen en steeds te veranderen door gebruik te maken van inzichten uit informatieve literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Wat ik graag zie, is dat een werknemer ook de ruimte heeft en de tijd neemt om voor zichzelf iets op te zoeken. Een pedagogisch medewerker moet tenslotte ook kunnen onderbouwen wat zij in observaties ziet. Het gaat niet alleen om iets zien en dat opschrijven, maar ook om een stap verder zetten en werken vanuit aannames. Dat is waar ik naartoe wil, omdat ik denk dat dit je helpt om objectiever te kijken, vaste denkmodellen te laten varen en subjectiviteit achterwege te laten, zodat je steeds beter wordt in je vak.

 

Nog een locatie…

Ik zou nog wel een locatie willen. Op welke plek maakt mij niet zoveel uit, omdat ik het vooral heel leuk vind om een voorbereide omgeving te creëren, de juiste mensen aan mij te binden en er zo voor te zorgen dat kinderen zich kunnen ontwikkelen. Je hebt daar wel een aantal jaren ervaring voor nodig. Daar ben ik nu wel klaar voor, alleen de ruimte is er nog niet.

Toen ik indertijd op zoek was naar een ruimte, ben ik bij Montessori Schiedam terechtgekomen. Ik zat toen met een integrale gedachte in mijn hoofd. Dat was 8 of 9 jaar geleden nog niet zo heel vanzelfsprekend. Je hoorde toen niet vaak dat scholen en opvang één doorgaande lijn hadden, maar ik had dat al wel in mijn businessplan geschreven.

Als je met elkaar zo’n centrum vormt en je draagt één visie uit, dan heb je dezelfde ideeën over de gang van zaken. Je kunt elkaar daar ook op bevragen en elkaar zo inspireren.

Wat er ook gebeurt, liefde voor kinderen blijft nummer één. Als ondernemer heb ik een bepaalde visie en vooral passie. Als ik die passie zelf niet meer zou kunnen voelen in onze praktijk, is het niet goed. Maar: ik ben niet van de grip; wel van de kaders. Je moet vertrouwen hebben en geloven in jezelf en anderen.”


Datum: 5 juli 2018